ZEVEN
Een eenzame ziel wandelde over de lange paden van het niemandsland. Ze twijfelde of ze zou oversteken of niet, over de brug naar het hiernamaals, naar de Hemel, of op aarde blijven in een poging de anderen te waarschuwen, te redden desnoods.
“Je moet gaan.”
Ergens tussen alle mist heen zag ze een schaduw, en toen Rebecca. Ze deinsde verschrikt achteruit, totdat ze zich realiseerde dat ize al dood was en Rebecca haar niets meer kon doen. Rebecca zag er anders uit, nu. Engelachtiger. Haar gezicht had een gezonde roze blos, en ze droeg een luchtig wit kleedje met een kanten rand.
“Waarom? Zodat jij hun ook uit de weg kunt ruimen?”
“Summer, je hebt mijn leven op aarde verpest. Het was al erg genoeg met mijn ouders, maar toen het op school ook al ondragelijk werd…”
“Wat was er met je ouders, dan?’ wou Summer weten.
“Ik had geen ouders! Ik leefde praktisch bij mijn buren. Ik zag ze nooit, maar echt nooit. Ik ben alleen opgegroeid, zonder familie, zonder gezin, zonder liefde. En dat laatste is deels door jou. Dankzij jou had ik geen vrienden op school en staarde iedereen me na en behandelden ze me als vuil. Ik was eenzaam, Summer. Elke seconde van de dag…”
Summer sloeg geschokt haar hand voor haar mond. “Het spijt me, Rebecca, ik wist het niet…”
Rebecca glimlachte en toen realiseerde Summer dat ze zo erg nog niet was. Maar het was te laat, toch? Ze wierp een blik op haar poslen en zag twee dikke littekens.
“Zodra je de brug oversteekt, verdwijnen ze. Ga, Summer, Als je hier blijft, verklein je je kansen om de brug ooit te kunnen oversteken.”
“Wat gebeurt er dan?”
“De Hel, dat gebeurt er.”
Die woorden troffen Summer recht in haar borst en en ze draaide zich naar de brug toe.
‘Ga… Ga je de rest ook…” Ze kon het niet laten om het te vragen.
Becca zuchtte. “Snel genoeg zullen ze bij je zijn, laat ik het zo zeggen.”
“Je hoeft dit niet te doen’, deed Summer nog een laatste poging om Becca te overtuigen.
Rebecca lachtte. “Alsof ik dat niet weet. Ga nu, Summer, ga!”
Het blonde meisje gehoorzaamde en begon richting de Brug te stappen. Ij elke stap die ze deeed, werd de mist minder dicht en raakten de zonnestralen steeds meer delen van haar huid. Ze was blootvoets, dat merkte ze toen ze op de warme, zachte brug stapte. Voor haar zag ze nog een persoon.
“H-Hallo?”
De jongen draaide zich om. Hij had een witte broek en een witte bloes aan. Zijn grote blauwe ogen leken welder als water dor het reflecterende zonlicht en hij glimlachte.
“Ben… Ben jij ook dood?” vroeg Summer zachtjes.
Hij haalde zijn schouders op en Summers ogen vielen op de littekens op zijn borst dat zichtbaar waren bovenaan zijn borst en een dik eentje op zijn voorhoofd.
“Ja, gestorven in een auto-ongeluk. Jij?”
“Rebecca heeft mijn polsen overgesneden.” Ze wierp een blik naar achteren, maar het meisje was verdwenen.
“Rebecca?”
“Een kwade geest.”
Hij knikte. “Oh, ja, ik zag er een paar opweg naar hier. Die zijn niet echt vriendelijk, he?”
Ik lachtte. “Niet echt nee. Euh, ik ben Summer.”
“Hugo.”
“Gaan we?” stelde Summer voor.
Hij nam haar hand vast, maar ze voelde die niet. Alleen warmte en licht op de plaatsen waar hij haar aanraakte. Ze begonnen samen richting het felle licht op het midden van de brug de stappen.
“Klaar?”
“Klaar.”
Ze deden nog een laatste stap vooruit en voelden zichzelf toen in het licht oplossen. Ze werden kleine stukjes glinsterend stof en dansten omhoog, hoger en hoger. Het laatste wat Summer kon waarnemen voordat ze opging in de stroom van duizenden andere zielen dat naar de Hemelpoorten waaiden, was een geur. Haar lievelingsgeur.
Vanille.
ZES
Summer Brooks
“Je bent vier kilogram afgevallen deze week, Summer.”
Mevrouw Fields keek me aan met een een waterig glimlachje.
“Dat ligt niet aan mij mevrouw, het is het eten hier. Niet wat ik gewoon ben, snapt u.”
Ze fronste, niet overtuigd. “Vorige week was je er zes kwijt. Wanneer mensen hier binnenkomen, verliezen ze de eerste week maximaal vier kilogram door het verschil van voedsel. Geen tien op twee weken. Eet je wel alles?”
Ik knikte, het was niet een leugen. Ja, ik at alles op, nee, ik hield niet alles binnen. Niets eigenlijk.
Ik zat hier al twee weken en in plaats van te genezen – wat eigenlijk de bedoeling was van mijn verblijf in dit gekkenhuis-, gleed ik met de dag verder weg. Ik genas niet, ik werd alleen maar gestoorder. Want sinds de eerste dag dat ik hier zat, hoorde ik Rebecca’s stem in mijn hoofd. Ik dacht terug aan mijn eerste dad in de isoleercel.
“Laat me gaan! Ik ben niet gek! Nee, alsjeblieft, ga niet weg! Alsjeblieft!”
Maar de bewaker luisterde niet en sloot mijn deur. Ik stopte met schreeuwen, al wetend dat het nu gen nut meer had. Eenmaal de deru dichtwas, absorbeerden de muren elk geluid. Ik zuchtte snikkend.
“Ik hoor hier niet…”
“Niet leuk, he? Dat de mensen een etiket op je plakken en je geen nadere keus hebt dan je er naar te gedragen.”
Ik keek geschokt op. “Wie zei dat? Hallo?”
“Dat was ik.”
Mijn ogen scanden de ruimte en ik gilde toen ik een bekende schaduw in de uiterste hoek van de kamer zag.
Het was Rebecca. Maar dan ook niet.
Haar gezicht was lijkbleek en de wallen onder haar ogen groot en donkerpaars. Haar ogen zelfs waren pikzwart en ze was stukken dunner dan ze anders was. Ze was broodmager. Ik piepte toen ik de blauwe plekken in haar nek zag. Alsof ze gestikt was met en touw.
Ze lachtte, en haar lach joeg me de stuipen op het lijf. Het was zo hol en demonsich dat ik bibberde van de schrik.
Opeens stond ze naast me, en ze bukte zich over het klien hoopje ellende in de hoek dat ik moest voorstelen. Haar zwarte haren vielen van haar schouders en ik voelde ze kietelen ik mijn gezicht. Ze bracht haar uitgedroogde, krijtwitte lippen tot bij mijn oor en grijnsde: “Ik ben op je aan het wachten.”
Ik perstte mijn oogleden op elkaar en gilde mijn longen eruit. Toen ik mijn ogen terug opende, was Rebecca weg. Maar de gedachte aan haar niet.
Sindsdien kwam ze wel vaker. Ze stalkte me in mijn dromen of verraste me met bezoekjes op de meest vreemde momenten. Dabkzij haar zat ik meer in de isoleercel dan ik mijn gebruikelijke cel. Ik probeerde om haar niet te zien, niet te horen of te voelen, in gedachte dat ze mijn eigen hersenspinsel was omdat ik me verantwoordelijk voelde voor haar dood, maar haar bezoekjes waren zo levensecht en geen enkele pil kon haar doen verdwijnen, dus ik krabbelde terug naar mijn eerste theorie:
Ik was niet gek. Rebecca was echt.
Maar dat ik de waarheid sprak betekende niet dat de anderen me geloofden. Op een gegeven moment had rebecca op de plaats gezeten van een vriendin van me, maar ik had alleen Rebecca gezien en in de hoop haar te kunnen vermoorden, had ik haar anngevallen. Maar in werkelijkheid had ik mijn vriendin aaangevallen, zo zwaar dat ze al een week op de IC zat. Maar ik wou niet kalmeren en dus hadden ze me in eeen bad vol ijsblokjes gedwongen, mijn polsen vastbebonden zodat ik geen kant uitkon.
“Je gaat hier nooit uitgeraken. Nooit.”
Rebecca’s stem echoode in de stilte van de nacht. Ik kroop recht in mijn bed en drukte mijn rug tegen de muur terwijl mijn ogen nog moesten wennen aan het donker.
Opeens begon mijn bed te bewegen. Het geluid van de metalen poten die over de vloer krastten vulde mijn oren en ik probeerde het tegen te houden door mijn oren met mijn handen te bedekken. Maar er was deze stem in mijn hoofd dat ik niet kon stoppen.
“Je zit hier voor altijd, voor altijd, voor altijd, voor altijd, voor altijd, voor altijd, voor altijd….”
“GA WEEEG!” Mijn stem echoode opeens duister. Het was muisstil…. Toen opeens alles omver viel. De spullen van mijn tafeltje vielen op de grond, alsof ze weg waren geblazen door een hevige windvlaag. Een onzichtbare hamer klopte op de muren en de brokken vlogen in het rond. De tegels barstten vanzelf open en ik gilde nog eens. Mijn bed kantelde om, en ik viel op de grond, waarbij ik met mijn hoofd op de koude tegels knalde. Eerst was er deze scherpe pijn dat door mijn hoofd knalde, en toen gebons, gepaard met een plakkerige warmte op mijn voorhoofd dat groter werd en over mijn wang liep. Er kwamen bewakers naar mijn cel toegerend en haalden me uit de ravage dat ooit mijn ‘kamer’ had voorgesteld. Op het einde van de gang zag ik Rebecca, met een duivelse glimlach op haar lippen. Ze drukte haar wijsvinger ertegen en schreeuwde: “NOOIT MEER!”. Ik gilde ook, want haar schreeuw deed pijn aan mijn oren. De bewakers keken elkaar wanhopig aan en ik kon gewoon niet stoppen met kronkelen… Totdat ik weeral een spuit in mijn nek voelde.
‘Summer? Summeeer?”
Een lichte meisjesstem zong mijn naam en toen ik mijn ogen opende, zag ik amper iets. Alleen grote lichtcontrasten. Toen wazige kleurvlekken en dubbele voorwerpen. Mijn hoofd draaide en voelde zo zwaar aan dat ik dacht dat iemand er een baksteen in had geperst via mijn oor.
“Huh?”
Rebecca stond aan mijn voeteinde, een lieve glimlach op haar gezicht. Ik merkte dat mijn polsen vastgebonden waren aan mijn bed en rukte hevig aan de riemen, maar het kon niet baten. Ik zat vast.
“Wil je los?”
Ik keek verrast op van Rebecca’s aanbod.
“Wat wil je ervoor?” vroeg ik wantrouwig. Maar Becca zei niets, zat daar gewoon te glimlachen terwijl ik nog een poging deed om los te geraken.
“Weet je wat, ze komen me vanzelf wel losmaken, dus laat maar zitten, wat je aanbod ook mocht zijn.”
Ze haalde haar schouders op. “Oke, als jij hier drie dagen lang vast wilt zitten.”
‘Wat, drie dagen?!”
Rebecca knikte en ik kreeg kippenvel van de vlekken in haar nek. Ze brachten het gevoel bij me teweeg alsof mijn eigen mensenhanden haar hadden gestikt. Alsof ik haar vermoord had.
“Ik hoorde ze praten, toen jij nog onder invloed van je verdoving was. Je bent nogal stout geweest de laatste tijd, Summer. Drie dagen is volgens hun wel genoeg om je een tijdje stil te houden. Arme Summer… Je bent gecategoriseerd tot een van de meest gevaarlijke en onvoorspelbare patienten van deze instelling. Hoe voelt het?”
“Hoe voelt wat? Onterecht beoordeeld worden? Het stinkt.”
Rebecca’s gezicht werd opeens heel lelijk. Haar ogen draaiden weg in hun kassen en haar gebit werd monsterlijk, net zoals de recht van haar gezicht. “Daar had je maar eerder aan moeten denken, trut.”
Ik gilde, maar Rebecca was weer dode Becca in plaats van monster Becca. Ze legde haar ijskoude hand om op mijn mond en suste dat ik stil moest zijn.
“Ik kan je helpen”, fluisterde ze.
“Ik geloof je niet. Het is JOUW schuld in de eerste plaats dat ik hier zit. Die ‘BOO’? Dat was jij!”
Ze klapte in haar handen, en ik vroeg me af of ik echt de enige was dat dat geluid kon horen.
“Bravo, Summer, ben je toch niet zo dom als je eruit ziet” ,zei ze, en ik wist dat het sarcastisch was. “Maar weet je wat ik denk? Dat je je excuses zou moeten aanbieden aan Kyle.”
“Wat, waarom?”
Ze zuchtte. “Ik neem mijn woorden terug. Je bent exact zo dom als je eruit ziet. Want kijk, arme Kyle loog niet. Hij was niet diegene dat je klein geheimpje rondgebazuind heeft.”
Ik fronste. Oh nee? Maar Kyle was de enige die het wist!
“Tik tok tik tok tik tok tik tok…”
“Dat was jij! Jij hebt alles doorverteld! Smerige trut! Ik zal je-“
“Wat? Vermoorden?’ Becca lachtte. “Je gaat met iets beters moeten afkomen dan een loos dreigement. Oh, wacht, je tijd is om.”
Ze stopte met rond mijn doodsbed te stappen en nam een scalpet van op het tafeltje naast me. In een beweging sneed ze de riem open en ik wreef met mijn gevangen hand over mijn pols.
“Dank j- Oh mijn god wat doe je!”
Maar Rebecca had haar vingers al om mijn pols gekend en met een ongekende kracht drukte ze die terug op de leuning. Ik keek hulpeloos toe hoe ze mijn pols opensneed.
“AAAAAH! Godverdomme dat doet pijn!”
Maar ze lachtte gewoon en sneed mijn andere pols ook open. Toen stapte ze achteruit.
“Arme Summer kreeg zelfmoordgedachten. Arme Summer sneed haar polsen over.”
Ik probeerde niet te kijken naar mijn bloed, maar het was overal. Met verlamde vingers rukte ik de andere riem open en en kroop van het bed. Ik viel op de grond en kronkelde in allerlei bochten, wanhopig om de deur te bereiken. Het lukte, maar hij was op slot.
“Help, h-help…”
De kracht vloeide uit mijn lichaam,uit mijn polsen en alles draaide, voor de zoveelste keer. Mijn polsen brandden en ik wist dat ik aan het sterven was.
Ik zakte in elkaar op de grond en het laatste wat ik zag was Rebecca dat zich over me boog en met een glimlach fluisterde:
“Wraak, Summer. Zoete zoete wraak.”
VIJF
Summer Brooks
Toen ik die vrijdagmiddag door de gang liep opweg naar de kantine, werd ik aangestaard door iedereen. Ik bedoel, dat werd ik wel vaker, maar niet op deze manier. Sommigen lachtten me uit, anderen keken me aan vol medelijden, anderen vol walging en anderen draaiden hun hoofd weg zodra ik in hun richting keek.
Ik haastte me naar mijn lunchtafel toen iemand opeens naar me riep; “He, Summer, hoe voelt het om je ontmaagd te worden door je vader?”
Mijn mond viel open en mijn dienblad viel uit mijn hand. Ik draaide me in een ruk om en zag Tyler naar me grijnzen, samen met de rest van zijn tafel. Ik vond niets dat ik terug kon zeggen, mijn hoofd stond op exploderen en ik rende naar mijn lunchtafel. Ik stond op het punt om in huilen uit te barsten, maar toen ik ging zitten, stond iedereen op, zelfs Faith, mijn beste vriendin. Kyle staarde me aan terwijl de rest ergens anders ging zitten, en het enige dat ik kon doen was zo snel mogenlijk de kantine te verlaten. Ik probeerde wanhopig om mijn tranen binnen te houden terwijl ik door de gangen van de school rende, weg, ver weg van iedereen.
“Summer, wacht!” Kyle pakte mijn arm vast waardoor ik abrupt stopte met rennen.
“Klootzak! Je had beloofd om het aan niemand te vertellen!”
“Dat heb ik niet, ik zweer het, Summer!”
“Leugenaar!”
Hij trilde, en ik besefte nat dat was omdat hij mijn arm vasthad, en ik was praktisch aan het schokken van de pijn en woede.
“Summer,” zei hij rustig, in een poging me te kalmeren, “waarom zou ik zoiets aan iedereen vertellen? Ik hou van je!”
“Leugenaar, laat me los!” Ik probeerde mijn arm los te rukken, maar hij was veel sterker dan ik. Zijn kneep was zo sterk dat het gewoon mijn bloedtoevoer afsneed.
“Summer, denk na, dit verpest mijn reputatie toch ook?”
“Is dat alles waar je aan kunt denkt, JE REPUTATIE?” Ik keek hem minachtend aan.
Hij liet me los. “Doe niet zo stom, Summer, dat is toch het enige waar JIJ aan denkt? Denk je soms dat ik het niet weet? Waar gans onze relatie om draait? De enige reden waarom jij nog samen met me bent is zodat ik het niet zou zeggen.”
Ik sloot mijn ogen en voelde een warme traan over mijn wangen rollen. “Was, Kyle, we waren samen.”
Hij fronsde en deed een stap achteruit. “Wat? Maak je het nu met me uit…?”
Ik knikte, kort en krachtig. “Uhu… Ik kan niet samen zijn met de jongen die me verraden heeft.”
“Dat heb ik niet!”
“Dag Kyle…”
Ik draaide me om en ging verder met wat ik aan het doen was voordat Kyle me stopte.
Rennen.
Wegrennen.
Drie uur later stond ik voor het kantoor van meneer Wilfrid. Ik was geen seconde langer meer op school gebleven en had direct mijn moeder gebeld. Ze had vrijgenomen voor de rest van de dag en op haar beurt naar meneer Wilfrid gebeld. Die had temidden in een spreekuur gezeten, maar nu was hij vrij.
Ik haalde diep adem en klopte op de deur waaraan het goudkleurige naamplaatje hing: Dr. WILFRID – PSYCHIATER.
“Binnen.”
Ik bleef twee tellen voor de deur staan, maar verzamelde toen al mijn moed om de klink naar beneden te duwen en de deur te openen.
Het kantoor was uniek hetzelfde als vroeger. De witte muren en zwarte meuebels, met een muur dat blauw gekleurd was. Op zijn bureau stond zijn Yale diploma, juist naast de foto van zijn vrouw en zoon – het enige dat wel veranderd was.
“Oh, Summer, kom toch binnen”, nodigde hij me uit en wees naar de zwartleren stoel waarin ik zo vaak had gezeten.
“Dag dokter Wilfrid.” Ik nam plaats op het ding, op het puntje en focusde me op de man. Hij was oud, nog ouder dan twee jaar geleden. Ik bedoel, dat is wel logisch, maar hij was gewoon heel erg veranderd op twee jaar tijd. Zijn haar was nu compleet grijs en ede rimpels rond zijn ogen en op zijn voorhoofd waren dieper, alsof iemand zwaar zijn best had gedaan om ze erin te krassen.
“Dus… Je moeder belde”, begon hij direct. Hij herinnerde zich waaschijnlijk dus nog dat ik er niet van hield om rond de pot te draaien. Of misschien ook niet en had hij dat herlezen in zijn oude notities over mij. Mijn ogen schoten naar zijn linkerhand dat nu al bezig was met aantekeningen maken. We waren allebei linkshandig.
“Ik weet het.”
“Ze zei dat je nogal vreemd doet de laatste tijd.”
“Dat weet ik.”
“Ga je me nog uitleggen hoe het zit of niet?”
“Ik denk dat ik ga voor de ‘of niet’.”
Hij leunde zuchtend achteruit in zijn bureaustoel. “Als je niet praat kunnen we je niet helpen.”
Ik keek hem aan met opengesperde neusgaten. “Ik HEB geen hulp nodig, dit slaat nergens op. Ik was gewoon moe gisteren en moeder stelt al direct voor of ik geen afspraak bij u zou nemen. En na vandaag had ik gewoon ook bij een psycholoog kunnen zitten.”
Meneer wilfrid leunde vooruit en keek me geinteresseerd aan. “Waarom vind je een psycholoog minder erg?”
“Omdat… Bij een psycholoog zitten mensen die problemen hebben. Bij mensen zoals u.. alleen maar psychisch gestoorde mensen.”
“En jij denkt dat je hier niet hoort.”
“Dat weet ik.” Hij opende zijn mond, maar ik sneed hem zijn woorden af. “Begin nu nietover die stomme ontkenningsfase, ik hebdie rotzooi al zo veel keer moeten aanhoren. Als dat was waar ik hier voor kwam, dan hasd ik net zo goed de brochure kunnen lezen. U papegaait toch alle gewoon na.”
“Waar ben je hier dan voor, Summer?”
Zijn stem wwas kalm en beheerst en ik voelde me dom aangezien ik die van mijn maar met moeite kon controleren.
“Ik ben hier omdat ik moet van mijn moeder.”
“En waarom moet je van je moeder?”
“Omdat zij hier diegene is dat hier moet zitten.”
“Dat is een zware beschuldiging.”
Ik schoot recht uit die stomme stoel en liep naar de andere kant van de kamer, zo ver mogenlijk van hem.
“Wil je weten waarom ik niet wou komen? Nou? Wel, dat is omdat ik niet wil terugdenken aan waarom ik hier zat tijdens mijn laatste bezoek. Ik wil niet terugdenken aan die klootzak en wat hij me heeft aangedaan. Ik wil me focussen op de toekomst in plaats van met mijn neus op het verdomd verleden te worden gedrukt! Want dat is precies wat u nu doet. Ik kan dit niet meer aan! Ik wil hier weg.”
“Nu gedraag je je echt alsof je hier hoort.”
Hij daagde me uit. Die verdomde klootzak daagde me uit. En hij kon het krijgen ook.
“Wat bedoelt u daar nu mee? Wilt u zeggen dat ik gek ben? Is dat het soms?”
“Summer, ga zitten.”
“Nee.”
“Summer ga zitten.’
“Nee!”
“Summer, zitten, nu!”
“NEE!”
Zijn hand gleed onder tafel en tien tellen later stormden twee zware mannen naar binnen.
Ik keek geschokt naar Wilfrid.
Verdovers?
Verplegers?
De witte mensen?
“N-Nee! Nee, laat me los! Nee!”
Maar de mannen hielden me in een stalen greep met een emotieloos gezicht terwijl ze een spuit in mijn nek ramden. Alles begon te duizelen, mijn hoofd voelde zwaar en toen ik verloor ik mijn bewustzijn in de armen van een van de mannen.
“Summer, het is voor je eigen goed.”
We zaten aan een grijze tafel in een kleine kamer, moeder en ik. Ik keek op naar het rood lichtje van een van de twee cameras in de ruimte, maar zweeg. Mijn handen jeukten van de handboeien en ik weigerde te praten.
“Je bent hier weg voor je het weet.”
Ik trok mijn wenkbrauwen op.
“Kijk alsjeblieft niet zo naar me.”
Ik keek haar vragend aan.
“Alsof dit mijn schuld is.”
Ik schudde lichtjes mijn hoofd, mijn ogen half toegeknepen en een een kleine glimlach op mijn lippen.
“Dat is het niet! Het is je vaders schuld, hoor je me? Het is allemaal zijn schuld.”
Opeens voelde ik de nood om mijn vader te beschermen.
“Je kunt veel zeggen over mijn vader. Veel slechts, weinig goeds, maar niet dat dit zijn schuld is. Want dat is het niet. Het is JOUW schuld, en die van jou alleen. Ik ben nietgek, ik ben verward. Zoals iedereen van mijn leeftijd. Maar me daarom laten opsluiten in een instelling?”
“Dat was mijn keus niet, maar die van dokter Wilfrid.”
“Je hebt verdomme ingestemd! Dat komt op hetzelfde neer! Je gaf geen kik, maar knikte gewoon. Ik had al mijn hoop op jou gezet, en kijk waar dat naartoe geleid heeft!”
“ik wil gewoon dat je gelukkig bent…” snikte ze.
“oh ja, ik ben heel erg gelukkig tussen al die gestoorde freaks hier. Jeej, allemaal soortgenootjes’, snoof ik sarcastisch.
“Summie, lieverd, je zult gelukkig zijn wanneer je hier uit bent.”
“ik zal pas gelukkig zijn als JIJ dood bent.”
Die woorden had ze niet zien aankomen, en ze sloegen haar in het gezicht als een natte handdoek. Ze bevroor, deels door mijn kille toon die nagalmde in de ruimte en ik zag ik haar ogen dat ze wenste dat ik die woorden niet gezegd had. Ik keek terug, en zag in haar ogen een weerspiegeling van de mijne. Ik zag haat, leegte en walging.
“Ik moet door.”
“Ik hoop dat je wordt aangereden door een bus.”
‘Zeg dat alsjeblieft niet.”
“Ik deed het net.”
“je meent het niet.”
“Oooh dat doe ik wel. Dat meen ik uit de bodem van mijn hart. En smeer ‘em nu, ik moet naar de kantine. Het is puddingvrijdag en als ik me niet haast heeft Lome Lenny de mijne.”
Haar ogen begonnen te branden van de tranen toen ze zag wat er avn mij geworden was. Ze stond op en verdween door de deur, de deur van Vrijheid, terwijl ze mij achterliet aan dat grijze tafeltje.
Als ze vonden dat ik hier thuishoorde, kon ik me er net zo goed naar gedragen.
VIER
Summer Brooks
Ik zat met Kyle’s belachelijke grappen te lachen alsof ik ze grappig vond toen we werden onderbroken door de directuer die op de deur van ons lokaal klopte. Ik schoof onmiddellijk van mijn bank af en naam plaats achter mijn stoel, terwijl ik zo onschuldig mogenlijk probeerde te kijken.
Natuurlijk vond ik Kyle en z’n stomme grappen niet leuk, maar ik kende hem al sinds de kleuterschool en hij meer kracht dan hersenen, wat heel handig kon zijn. En hij was zo trouw, als een schoothondje. Schootbulldog eerder, dan. Faith vroeg me vaak wat ik in mijn hoofd haalde om met hem te daten, maar ik lachtte gewoon. Ja, hij was raar en niet eens zo knap, maar hij wist dingen die ik niet openbaar wou maken. Dingen waar ik me voor schaamde, en als ik hem te vriend hield, hield ik die geheimen daarbij ook uit de roddelpot.
Ik gebruikte hem, zou je zeggen. Maar alles draait om interesse’s, bij iedereen, dus ook bij mij.
Ik zag aan de directeur zijn gezicht dat hij hier voor iets serieuzers was dan een of andere klas dat te veel lawaai maakte, of een uitzonderlijk laag klasgemiddelde.
Hij schraapte zijn keel.
“Goedemorgen klas.”
“Goedemorgen meneer de directeur.”
Ah, en nu klonk iedereen als een engeltje? Typisch.
“Ik heb een mededeling voor jullie.” Zijn stem verraadde dat hij geen idee had hoe hij verder moest staan en hij bleef in de deuropening drentelen, alsof hij twijfelde tussen blijven of weglopen, en daarom alle opties gewoon openliet.
Iedereen begon wantrouwig te fluisteren en ik spitste mijn oren.
“Het gaat over leerlinge Rebecca Newington.”
Dat had ik niet zien aankomen. Eerlijkgezegd had ik eerder iets verwacht zoals een of andere verandering in het schoolregelement of dat de starfstudie weer eens volzat vanwege ons, maar niet dit.
“Wat is er met haar?” vroeg ik en zag hoe verschillende mensen hun hoofden naar me toekeerden, verrast dat ik, juist ik, diegene was dat de vraag stelde. Van alle mensen in heel dit klaslokaal haatte ik haar het meest, toch?
“Het is geen goed nieuws, ben ik bang.”
“Zo lang ze niet dood is, niet nee”, fluisterde ik grappend tegen Faith. Ze giechelde.
“Ze is dood.”
De drie woorden vielen als bakstenen uit de lucht en barstten open op de tegels van ons klaslokaal, met een geluid van pure stilte.
“Ze is… WAT?”
“Ze is dood”, herhaalde de directeur en deed een stap verder het lokaal in, alsof hij besefte dat het veilig was. “Haar lichaam is gisterenavond op zolder teruggevonden door haar moeder.”
Ik boorde mijn nagels in mijn billen. Had rebecca echt… ?
“Hoe is ze gestorven?” Mijn woorden waren niet meer dan een fluistering, maar iedereen hoorde ze. In deze situatie had een atoombom niet meer lawaai kunnen maken.
Domme vraag. Iedereen wist het antwoord al.
“Ze heeft zichzelf opgehangen, negen dagen geleden.”
Mijn borstkas begon te schokken toen ik terugdacht aan wat ik op dat blad had geschreven:
IIk zal beginnen zekerr? Rebecca je bentt een diikke trut en echt zoo ziielig. Gaa jezeelf oophangen zodat we jje lelijkkke kop NOOIIT meerr hoeven te ziien J
- xxx Summerrr
Schuld kroop over mijn huid en verstopte mijn porieen. Mijn huid, ikzelf, niets leek nog te kunnen ademhalen. Zelfs de rest van de klas niet, De stilte die iedereens lippen had verzegeld drukte zwaar door en ik kreeg een bittere smaak in mijn mond.
Bullshit, probeerde ik mezelf van het nare gevoel af te praten. Rebecca leefde in haar eigen wereldje, ze luisterde nooit naar wat we zeiden. Ze zat en keek gewoon, keek toe alsof te wachtte op iets, iets dat dit alles een heel nieuwe wending zou geven. Dat ze zichzelf had opgehangen, was mijn schuld niet, maar haar bewuste keuze.
Hoopte ik.
“Er… Er wordt deze middag een gedenksceremonie gehouden voor haar. Wie zich geroepen voelt…” mompelde de directeur, maar iedereen bleef gewoon stom voor zich uit staren, elk in een nadere richting, prutsend met hun handen, alsof ze geen weet wisten met hun ogen en de rest van hun lichaam.
Ik ook niet.
Ik ging niet naar de gedenksceremonie. Op een of andere manier voelde het gewoon niet juist. Ik stapte in de auto van mijn moeder met mijn hoofd ver weg.
“Dag liefje, hoe was het vandaag op school?” vroeg ze op haar gebruikelijke blije toon. Toen ik niet antwoordde, keek ze toe of ik geen oortjes droeg. Niet dus.
“Summer, liefje?”
“Huh, wat?”
“Ik vroeg hoe het vandaag was op school. Gaat het wel?”
Ik keek haar aan, recht in haar ogen, op een manier die ik niet in de hand had. Ik zat gewoon te staren, met grote ogen.
“Summer je maakt me bang.”
“Ze is dood.”
“Wat? Wie is dood?”
Achter ons begonnen de mensen hevig te toeteren. Mama’s auto stond in de weg.
“Rebecca is dood.”
“Wie, dat vreemd meisje uit je klas? Die Rebecca?”
Ik knikte.
Haar ogen werden zo rond anls munten en ze haalde diep adem. Toen verzette ze de koppeling, zette haar linkerhand op het stuur en begon te rijden.
“Wel… Euh… Dat is jammer, euh, toch? Ik bedoel, ze was geen vriendin van je, of wel soms?”
Ze voelde zich heel slecht op haar gemak.
Ik schudde mijn hoofd. “Nee.”
Ik kwam thuis en nam een stomend warme douche. Vandaag kon gewoon niet echt gebeurd zijn. Die hele week waarop ze afwezig was, hing ze gewoon dood aan een koord op haar zolder?
Maar… Waarom hadden haar ouders haar niet voor vermist opgegeven? En ze moesten toch wel eerder voor haar zijn gaan zoeken? Dan keek je toch direct op zolder?
Ze zijn me niet komen zoekn. Ze vonden me per ongeluk.
What the heck? Die stem kwam niet uit mijn hoofd. En ik kende die stem.
Echt, wat een schok.
R-R-R-Re.. Becca.
Inderdaad.
Ik draaide het water dicht..
Het was helemaal stil. Ik hoorde niets meer. Geenn stemmen, enkel mijn moeder die beneden het avondmaal voor twee klaarmaakte.
Ik dwong mezelf te kalmeren door diep in en uit te ademen. Toen haalde ik mijn hand-doek van het haakje en droogde mijn haren. Toen ik opkeek in de spiegel, gilde ik.
Een onzichbare vinger tekende letters in de damp.
B O O !
Mijn moeder kwam naar benden gerend.
“Summer? Summer! Wat is er?”
Ik zakte op mijn knieen en begon te huilen. Mijn moeders wanhopige handen probeerden me te kalmeren, en uiteindelijk zat ze naast me terwijl ze mijn hoofd tegen haar borst drukte, lichtjes heen en weer wiegend terwijl ze me suste.
“Misschien zou je terug een afspraak moeten maken met meneer Wilfrid.”
“Ik ben niet gek.”
“Dat zeg ik toch ook niet!”
Moeder draaide nerveus de mok koffie in haar handen van links naar rechts. We zaten aan het eiland in onze keuken en ik was aan het zweten door de hitte die opsteeg van mijn kom soep.
Ik was niet paranoide. Ik ging niet helemaal loco. Ik was gewoon verward en moe. Het was een vreemde dag geweest. Maar daarom moest ik toch niet onmiddellijk naar een psychiater?
“Ik ga niet naar Wilfrid. Je hebt me gezworen dat ik daar nooit meer naar terug moest!”
“Summer…” fluisterde moeder en haar stem klonk zacht, smekend. “Misschien is het beter dat je gewoon een afspraak maakt, een controle om het zo te zeggen.”
“Nee.”
“Waarom niet? Waar ben je zo bang voor, Summie?”
Ik schoot recht uit mijn stoel stoel en keek haar aan alsof ze het domste wezen ooit was.
“Waar ik bang voor ben? Waar ik bang voor ben? Wil je dat ECHT weten? Ik ben bang om weer hetzelfde mee te maken als vroeger. Heb je wel enig idee hoeveel herinneringen dat gezicht en die grote, enge kamer meedragen? Wil je me daar weer helemaal door zien gaan? Mama, eindelijk dacht ik dat ik dat hoofdstuk achter me kon sluiten! Ik dacht dat het voorbij was! En nu wil je dat ik dat weer helemaal opnieuw meemaak? Zijn handen, zijn aanrakingen, zijn fluisteringen?” Mijn stem trilde door de woede en de tranen. “Ik ga nooit meer terug naar daar. Zes jaar, moeder! Zes verdomd lange jaren! Geen seconde ga ik langer in die kamer doorbrengen. Vergeet het.”
Mijn woorden hadden een zware impact gehad. Ik zag het schuldgevoel dat mijn moeders gezicht bedekte als een deken van witte sneeuw op een winterdag. Dit was niet wat ik wou.
“Mam…” fluisterde ik, mijn stem klein en smekend. Moeder was de e3nige persoon op de hele wereld die deze smwekende stm te horen kreeg. Vader vroeger ook, maar… “Het spijt me, maar ik wil gewoon niet meer naar daar. Nooit niet.”
Met trillende handen veegde ze haar haren uit haar gezicht. “Het spijt me, lieverd. Maar.. wat dacht je van een andere psychiater?”
“Verdomme, heb je wel naar EEN WOORD geluisterd van wat ik zei? Een woord?”
Ze zweeg, en deze keer kreeg ze mijn smekende stem niet te horen, alleen maar een minachtende kreun, het geluid van vertrekkende voetstappen, zware stampen op de trappen en toen een dichtslaande deur.
Ik rende rechtstreeks naar het hoekje in mijn kamer tussen mijn kleerkast en de muur en dook snikkend in elkaar. Ongelofelijk hoe moeder die oude wonden had weten open te rijten. Zes jaar lang was ik in therapie geweest, wanhopig om die gebeurtenissen te vergeten.
Toen ik vier was, werd ik voor de eerste keer aangerand door mijn vader.
Zeven maanden later, verkracht. Het spelletje had twee en een half jaar lang geduurd, tot mijn moeder erachter kwam. Mijn vader zit al acht jaar achter tralies, en binnen vie jaar komt hij terug vrij. Hij heeft een contactverbod, maar ik weet niet of dat hem gaat tegenhouden. Of wat ik ga doen als hij vrij komt.
Kyle wist dit. Hij was er per ongeluk achter gekomen, drie jaar geleden. Toen ik nog naar de psychiater moest. Mijn geheim was het enige dat me aan hem bond, dat onze relatie in leven hield. Ik wist niet hoe hij zou reageren mocht ik het uitmaken, en het laatste wat ik wou was dat mijn verleden het roddelonderwerp werd op school.
Ik huilde tot mijn tranen op waren, en toen gleden mijn ogen naar de handtas dat aan mijn bed hing. Ik kroop er naartoe en haalde alle zoetigheden tevoorschijn. Het was lang geleden dat ik dit had gehad – een extreme vreetbui, maar het enige dat ik kon doen was doorbijten, letterlijk, en toekijken hoe ik de calorieen naar binnen werkte. Cakejes, chocolade, donuts, muffins, taartjes,…
Uiteindelijk zat ik bomvol en ik haatte mezelf onmiddellijk na de laatste hap. Ongelofelijk dat ik weer had toegegeven aan mijn… zwakte. Ik had mezelf beloofd nooit meer.
Voor ik doorhad wat ik deed, stond ik al voor de badkamerdeur. Ik bekeek mezelf in de spiegel en stelde mezelf voor met tien kilogram meer. Met een tweede kin en een hangend achterwerk en een uitpuilende buik, en voor mezelf was er niet zo veel verschil tussen dat beeld en mijn spiegelbeeld. Nee! Ik wou niet meer dik zijn, niet meer aanhoren hoe ik was bijgekomen en aangestaard door mensen met fluisterende stemmen. Ik draaide me om naar de toiletpot en stak mijn vnger in mijn keel. Ik haatte dit, maar ik moest. Het kwam niet. Nog eens. Dieper.
Opeens kotste ik heel mijn maaginhoud uit. Ik had het gevoel dat ik stikte en voelde me smerig, de stank was afschuwelijk, net zoals het zicht, maar ik wou niet stoppen. Tussen twee kotswatervallen in, knielde ik neer bij de pot.
Toen alles eruit was, voelde ik me slap, moe, uitgeput.
Maar ik dwong mezelf om te glimlachen.
Het was eruit.
DRIE
Een week later stond ik voor de zoveelste keer in mijn leven met mijn rug tegen de muur, omsingeld door een bende trutten, elk uniek in haar soort.
Ik sloot mijn ogen en probeerde alle opmerkingen over me heen te laten gaan, maar dat was niet zo gemakkelijk.
Vroeger hadden ze soms nog gedaan alsof ze mijn vriendinnen waren, vooral Faith. Ze deed alsof ik haar kon vertrouwen en liet me soms echt op mijn gemak voelen, maar uiteindelijk maakte ze alleen maar misbruik van mijn kwetsbaarheid om me twee keer zo hard neer te laten gaan. Dat deed ze een keer, twee keer, drie keer, maar toen stopte het. Ik sloot me af en besloot dat ik niemand meer vertrouwen kon. Nooit meer.
Terwijl ik in iedere trut recht in haar ogen keek,maakte ik een beslissing voor mezelf.
Ik beloofde mezelf dat het nooit meer zo zou zijn.
Dat niemand me ooit meer zo’n pijn en leed zou kunnen bezorgen.
Want ik wist dat ik hier niet hoorde te zijn.
Niet hier, nergens niet.
Om een of andere reden leek het leven te beseffen dat het binnenkort niet echt vel meer aan me zou hebben, dus het probeerde zoveel mogenlijk uit me te krijgen, alsof ik nu moest leven voor de jaren dat ik er niet meer zou zijn.
De dag ging snel en ik zat daar maar, op de eerste rij, met een grote grijns opmijn gezicht en niemand wist waarom. Mevrouw White grijnsde terug, waarschijnlijk dacht ze dat het beter met me ging. Het ging beter, toch? … Toch?
De bel ging en ik had geen haast meer om hert lokaal te verlaten, ik was pure zen toen ik me klaarmaakte met nog steeds een klein glimlachje op mijn lippen. Toen ik opkeek, zag ik Summer aan de deur, en ze maakte geen aanstalte om te vertrekken. Ik stond op, schoof de stoel onder mijn bank en liep naar haar toe.
“Wat is jouw probleem?” viel Summer met de deur in huis. Ik keek haar onschuldig aan.
“Hoezo?”
“Wat zat je daar zo stom te grijnzen? Ik zweer je dat als je IETS hebt uitgehaald je daar spijt voor gaat hebben voor de rest van je leven!”
Ik lachtte. “Te laat, Summer!”
Een gloed van wantrouwen kroop over haar gifgroene ogen. “Hoezo? Te laat voor wat?”
Ik knipoogde en draaide me om. Ik zag Kyle op het einde van de gang op Summer wachten. Haar braaf schoothondje, DAT was pas zielig. Hij had dezelfde verwarde uitdrukking op zijn gezicht als Summer en liet me door, te verward over wat hij moest doen.
“SEE YOU IN HELL, BITCHES!” riep ik hen na.
Het was paranoide. Mijn gedrag van daarnet was gewoon paranoide. Dat besefte ik toen ik naar de winkel liep en het dikste touw kocht dat ik vonden kon. Maar hoe dan ook, het had hen afgeschrikt en zodra ze horen wat er was gebeurd de dag dat ik loco ging… Het laatste dat ik kon doen om hen een beetje schrik aan te jagen.
Mijn handen beefden toen ik het touw vastmaakte aan een van de balken op zolder. Ging ik dit echt doen? Ik bedoel… Moest ik dit echt doen? Terwijl ik met mijn duim over het ruwe touw streek, maakte ik mijn keuze. Ik had niets te zoeken op deze wereld. Dit lege gebouw, dit was niet mijn huis. Mijn ouders waren waarschijnlijk compleet vergeten dat ik bestond, of in ieder geval mijn naam wel… En op school… Dat kon ik niet meer aan. Een mens hoorde liefde te kennen, want dt maakte het leven waard. Als er geen liefde was, waarom dan wel een wil om te leven? Het sloeg nergens op.
Met tranen op mijn wangen schoof ik de stoel dichterbij. Ik wierp een blik op het boek dat voor me openlag en sloot mijn ogen heel even. Ik kende de tekst praktisch vanbuiten.
Zelfs met honderden ogen op je gericht en je naam op hun honderden lippen, zonder liefde in hun ogen hadden ze er beter helemaal niet kunnen zijn. Als je als kind niemand had om je in slaap te zingen op stormige avonden en je hand vast te houden als je je eerste stapjes zette. En later… Als een huis verlaten is, donker, verlicht door een enkele ziel, dan is het huis leeg. Als ogen elke avond tranen baren, tranen die ontweken hadden kunnen worden door een simpele glimlach van een simpele persoon, is een woord het zeggen niet waard als je daarmee iemand redden kan?
Maar eenzaamheid was een krachtige ziekte, dat zich diep in je hoofd wortelde en niet meer los te krijgen was, onkruid van het ergste soort.
Wie eenzaam was, was verloren.
Ik maakte het touw vast rond mijn nek en legde mijn haar er voorzichtig over. De stoel leek zo hoog en ik wist dat als ik springen zou, ik zou storten in een gapend gat van onwetendheid.
Maar het gapend hart van verdriet in mijn borstkas deed meer pijn, en ik wou niet meer gevangen zitten in een lichaam dat alleen pijn kende.
Ik sloot mijn ogen en sprong.
Zodra ik geen grond meer onder mijn voeten voelde en het touw om mijn nek zich aanspande, harder en harder en elke seconde het seconde het leven uit me trok.
Ik verstikte.
Ik pleegde zelfmoord.
Mijn hoofd leek te barsten en mijn handen vlogen naar het touw, maar ik kreeg het niet los. Dit deed pijn, zo veel pijn… Ik hapte verwoed naar adem, maar de lucht liet me in de steek. Mijn benen zwierden zich in verschillende bochten en ik voelde mijn vingertoppen koud worden. Mijn handen., mijn voeten.
Elke beweging werd minder hevig tot ik na een tijd… stilhing. Ik zag niets meer.
Ik was dood.
De tranen bevroren op mijn wangen terwijl de uren, dagen voorbijkropen en ik daar hing, wachtend om gevonden te worden.
Acht dagen hing ik daar.
Acht dagen tot mijn moeders gil de stilte doorbrak die heerste sinds ik mijn laatste adem had uitgeblazen.
Mijn eeuwige stilte.